Stoofpotje met Kalkoen. Gezond, lekker en snel klaar.

Kalkoen stoofpotje op het mooie osaka bord

Stoofpotje met Kalkoen

Om het jaar goed te beginnen, want we hebben natuurlijk weer veel te veel gegeten afgelopen dagen 😉 staat bij ons deze stoofpot straks op tafel.
Snel te maken en super lekker…Als je ietsje meer maakt dan heb je de volgende dag een heerlijke traktatie voor bij de lunch.

Ingrediënten:

1 (rode) ui
1 Prei
250-300g kalkoenfilet
400g tomatenblokjes
2 wortels (fijn gesneden)
1 teentje knoflook (fijn gehakt)
2 Medjouldadels (fijn gehakt)
1 el Ras el Hanout
Peper & Zout
Rijst

Bereidingswijze van dit Stoofpotje met Kalkoen

Schil de ui ( het mag ook een rode ui zijn) en snijd de ui in ringen.
Snij de prei in dunne ringen, schrap de wortels en snij ze in dunne plakjes.
Hak de knoflookteen fijn en ga aan de slag met de dadels. Mochten er nog pitten in zitten haal deze eruit en snijd de dadels vervolgens klein.
Snijd de kalkoen in gelijke blokjes.

Verwarm een wokpan en voeg een scheutje olijfolie toe (als je er een drupje vloeibare boter bij doet spat de olijfolie een heel stuk minder)

Fruit de ui zodat hij glazig is. Voeg vervolgens  prei, wortel, knoflook toe en giet er een beetje lauw warm water bij.
Leg een deksel op de wok zodat de groenten even kunnen garen, laat ongeveer 5 minuten pruttelen.

Voeg nu de kalkoenblokjes, dadelblokjes en de heerlijke Ras el Hanout kruiden toe. Schep om en voeg vervolgens naar smaak peper en zout toe.
Laat 2 minuten pruttelen.
Voeg nu de tomatenblokjes toe en schep om. Draai het vuur laag en laat dit heerlijke Stoofpotje met Kalkoen zo’n 25 minuten sudderen.
Breng ondertussen water aan de kook en kook de rijst gaar (zoals op de aanwijzing van de verpakking).
Kies eens voor meergranen rijst met noten en zaden… zo lekker!

Neem een mooie bowl, leg in het midden een garneerring en vul met rijst. Serveer de stoofpot enaast en een beetje op de rijst ..je weet niet wat je proeft!
De dadels in het gerecht zijn heerlijk…

Stoofpotje van kalkoen

Stoofpotje met kalkoen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bron: Sandra Bekkerari